Overlaatst schoof ik aan bij de kassa in een doe-het-zelf-zaak alwaar ik een product aan het kopen was ter bestrijding van antipathieke insecten, die de vloerplanken op het tweede verdiep van mijn een halfjaar geleden aangekochte woning aan het transformeren zijn in boormeel, en net na mij stond een zwangere vrouw in de wachtrij die waarschijnlijk nog een klein likje verf nodig had voor het kinderkamertje. Hoffelijk, zonder betuttelend te zijn, offreerde ik haar mijn plaats in de wachtrij en die nam zij onder het prevelen van een monkelbedankje in.
Eens buiten zag ik de vrouw opnieuw op de parking en ze maakte zowaar aanstalten om een sigaretje op te steken. Vroeger kon het me worst en allerhande fijne vleeswaren wezen wat zwangere vrouwen inhaleren maar zelf vader zijnde vond ik het nicotineshot voor de baby gewoonweg crimineel. Haar recht als vrij mens om er eentje te roken verschrompelde zo in het licht van de plicht om zorg te dragen voor het ongeboren leventje, althans mijn bescheiden mening…
Terwijl ik haar met stijgende verbijstering gadesloeg gebeurde wat ik innig gewenst had - als kon ik zaken vanop afstand doen gebeuren – de sigaret viel op de grond en slechts met veel moeite kon de zwangere vrouw het ding van de grond rapen en gelukkig staakte ze haar poging. Al maak ik me natuurlijk geen illusie dat die ene sigaret een tijdje later wel zijn weg zal gevonden hebben naar de mond van de mama in spe en de nicotinerook ervan een weg langs de luchtwegen en de nicotine zelf een weg via het bloed naar de placenta…
De vraag laat me niet los: laat ik haar een volgende keer opnieuw voor of niet?