Vandaag hebben we een kinderstoel gekregen van ons ziekenfonds. Mijn vrouw heeft hem in elkaar gepuzzeld en tegen de tafel geschoven. Toen we gingen eten hebben we Elisabeth erin gezet en haar gestut met een blauwe reuzemuis en een oranje dolfijn zodat ze niet zou kapzijsen in de nog wat te grote stoel.
En daar zaten we dan met ons klein gezinnetje alledrie aan de tafel. Elisabeth keek van haar papa naar haar mama en terug en wij keken lang naar ons kleine nieuwe tafelgenootje in haar blauwe pakje. Daarna keken we naar elkaar en genoten intens van onze eerste tafelmoment tesamen. Het genieten werd wat vergemakkelijkt omdat mijn liefste vrouwtje een schitterend lekkere ovenschotel uit de oven had getoverd.
Samen wachtend op de lente. De eerste lente van mijn dochter. Nu weet ze nog niet hoe mooi de lente en de zomer wel kunnen zijn. ’We waren bijna echt vergeten hoe schoon de zomer wel kan zijn’, klinkt nu spontaan met de ietwat neurotische stem van Stijn Meuris door mijn hoofd.
Mama heeft alvast een heel leuk zomerkleedje gekocht. En een grote zonnehoed, die nu nog veel te groot is. Mijn dochter keek winterbleek vanonder het zomerding. ‘Wat hebben mama en papa nu weer op mijn hoofd gezet?’, Leek ze te denken. In mijn hoofd klonk het: ‘Ik hou van u, ik hou van u, ik hou van u.’