Mijn steun en toeverlaat heeft me in de steek gelaten. Overal nam ik hem mee, ik hield hem nauwgezet in het oog. Hij was het verlengde van mijn zintuigen geworden in de laatste dagen. Maar nu is hij dus bezweken. Het is hem wellicht allemaal teveel geworden. Hij kan z’n zware verantwoordelijkheid misschien ook niet meer aan. Maar deze kleine uiting van empathie kan niet verdoezelen dat ik diep in hem onthoocheld ben. Mijn GSM vond vandaag het geschikte moment om al flippend de rol te lossen… Ik vind het miljaar niet het moment!
‘Waar ik nu zo’n goesting in heb is soep’. De uiting van mijn vrouws verlangen naar de warme drank was nog niet koud wanneer ik heldhaftig onder een bombardement van striemende regendruppels en verradelijke windstoten de zeven en een halve meter tot aan mijn wagen overbrugde om met klapwiekende ruitenwissers richting Colruyt te rijden om mij aldaar de befaamde Tomaten-Suprême in blik, waar mijn zwangere geliefde zo zot van is, aan te schaffen. Zonder veel omwegen ging ik recht op doel af: de rayon met conserven. ‘Hehe, snel gevonden’, sprak ik mezelf met een zekere cowboyfilmerige cool toe. ‘Waar staat die soep in blik, hier’, klonk het nog altijd met een zekere vastberadenheid. Na enkele vlugge camera-zwenken bleek ik me van rij vergist te hebben, alhoewel de tientallen conserven me ‘warm! warm!’ toefluisterden.
Eensklaps metamorfoseerde het ontbreken van de blikken soep de redelijk stoere cowboy in een paniekerige schlemiel met tunnelvision die het nodig vond om tot zeven maal toe dezelfde rij met conserven te monsteren om na te gaan of er na de vorige doortocht misschien toch geen soepblikken bijgekomen waren. Omdat er toch al niet meer veel overschoot van de zelfverzekerde trots waarmee ik de winkel binnenschreed waagde ik iemand van het personeel de vraag te stellen waar ik de blik in soep (sic) kon vinden. Ik verbeterde me snel maar het was er zo uit, waarna zelfs de schaduw van de schim van m’n trotse zelf niet meer met mij wou geïdentificeerd worden.
‘O, gewoon bij de blikken’. Stoem kieken dat ik ben, gewoon bij de blikken, dan heb ik er zeven keer naast gekeken. Ik bezocht voor de achtste maal de locus delicti en slikte een opkomende zweverigheid weg bij het aanzien van geen één blik soep. Zelfs niet van de slechte soepmerken, zelfs niet met de slechte smaken, zelfs geen één krat, zelfs geen soepgeur, geen soepvlekje, geen achtergebleven verpakkingkje, geen leeg rek, niets niets niet. Een ander winkeljufje zag mijn moed uit mijn schoenen lopen en sprak me de volgende woorden toe: ‘De soep staat nu boven de vriezers, ja dat is nog niet lang’. Ik vind het miljaar niet het moment!
En ondertussen blijven de namen van mijn adreslijst de revue passeren op mijn flipmobieltje als was het een kreet om niemand te vergeten als het zover is. Maar ik kan iedereen voorlopig nog geruststellen:
Het is nog niet het moment!